Hoe Schrijf Ik Een Profielwerkstuk (naar Umberto Eco)

Deze pagina is gebaseerd op Hoe schrijf ik een scriptie, Umberto Eco, vertaald en bewerkt door Yond Boeke en Patty Krone, uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 1985. In dit boek geeft de schrijver een handleiding voor het schrijven van een scriptie voor de alpha- en gammavakken aan de universiteit. Ik heb dit samengevat en aangepast voor het PWS. De opmerkingen die buiten het bestek van het PWS vallen, maar die ik toch behartigenswaardig vind, staan bij de extra aantekeningen.
 

Wat is een profielwerkstuk?


Het profielwerkstuk (PWS) is meestal een schriftelijk verslag van zo'n 30 pagina's, waarin een leerling een probleem behandelt dat iets te maken heeft met één of meer vakken die hij gekozen heeft in zijn pakket. Het wordt beschouwd als de afsluiting van het schoolexamen, de ‘meesterproef’.  De vorm waarin het eindproduct gegoten wordt ligt echter niet vast. De meest gebruikte is het schriftelijk verslag, maar de leerling kan ook een creatief werkstuk maken (film, compositie). Ook dan moet hij een schriftelijk verslag maken van plm. 10 pagina's. 


De leerling kiest om te beginnen een vakgebied. Naar aanleiding van die keuze wordt hij ingedeeld in een mentorgroep. De mentor leert de leerling hoe hij zijn PWS in grote lijnen aanpakt, hoe hij een onderwerp kiest en dat inperkt. De leerling zoekt vervolgens een begeleider die hem bij zijn specifieke onderwerp kan begeleiden en hem kan helpen bij het kiezen van de bronnen. De mentor en begeleider beoordelen het  profielwerkstuk. Het werkstuk mag niet afgesloten worden met een cijfer lager dan 4,0. Het cijfer maakt onderdeel uit van het combinatiecijfer met Maatschappijleer.


Aangezien je je PWS schrijft op je 17e of 18e en je je aan het voorbereiden bent op je eindexamen, spreekt het voor zich dat het PWS niet het resultaat kan zijn van een langdurig, diepgaand, wetenschappelijk onderzoek. Je moet wel aan kunnen tonen dat je kritisch kennis hebt genomen van de gebruikte bronnen en dat je in staat bent één en ander op duidelijke wijze uiteen te zetten. Je tracht het verband aan te tonen tussen de verschillende gezichtspunten en een overzicht te geven dat zó informatief is dat het begrijpelijk is voor iemand die goed is opgeleid, maar nooit een diepgaande studie gemaakt heeft van dat specifieke probleem. De studielast bedraagt 80 uur. Je moet de tijd die je aan je PWS besteedt verantwoorden in een logboek. Ook dit maakt deel uit van je werkstuk.


Kortom, het schrijven van een PWS houdt in: 1. een vastomlijnd onderwerp uitzoeken; 2. documentatiemateriaal over dat onderwerp verzamelen; 3. dat materiaal ordenen; 4. het oorspronkelijke onderwerp opnieuw bestuderen in het licht van het verzamelde materiaal; 5. dit alles samenvoegen tot een organisch geheel, en 6. dit op zodanige wijze doen dat degene die het leest, begrijpt wat er bedoelt wordt. Een PWS schrijven betekent dus dat je leert systematisch te werken. 


Bij de keuze van het onderwerp moet je rekening houden met de volgende vier vuistregels:

1. Het onderwerp moet je belangstelling hebben.
2. De te raadplegen bronnen moeten te vinden zijn.
3. De te raadplegen bronnen moeten hanteerbaar zijn.
4. Je moet genoeg ervaring hebben om de methodische opzet van het onderzoek aan te kunnen.



stap 1
In de eerste instantie zal de leerling geneigd zijn een zeer uitvoerig PWS te schrijven. Als hij zich voor literatuur interesseert zal hij aanvankelijk een werkstuk willen schrijven met de titel De literatuur nu. Indien hij het onderwerp moet inperken, zal hij kiezen voor De Nederlandse literatuur vanaf de tweede wereldoorlog tot de jaren zestig. Dit zijn uiterst gevaarlijke werkstukken. Het betreft hier onderwerpen die zelfs doorgewinterde wetenschappers koude rillingen bezorgen. Òf het verslag wordt een saai overzicht van namen en heersende opinies, òf het zit vol nalatigheden. Daarom is het dus wenselijk dat de leerling een bescheidener titel kiest. Dus geen Geologie, noch Vulkanologie, maar wel Het ontstaan en het schijnbaar uitdoven van de Paricutín (van 20 februari 1943 tot 4 maart 1952)


Sommige leerlingen kiezen voor het schrijven van een werkstuk over een abstract probleem, zoals bijvoorbeeld "het wezen van de menselijke wil". Een dergelijk werkstuk moet wel  verzanden in het genre "korte opmerkingen over het heelal". Meestal loopt dit uit op een kort verslag zonder noemenswaardige interne structuur, dat meer gebaseerd is op het  gevoelsleven van de auteur dan op een goed gefundeerd verslag. Wanneer de begeleider te berde brengt dat het werkstuk te personalistisch, te algemeen, te informeel, niet historisch gefundeerd en arm aan citaten is, denkt de kandidaat dat hij niet begrepen wordt. Hij kan van zijn theoretische onderwerp echter beter een geschiedkundig maken, bijvoorbeeld "het wezen van de menselijke wil bij Kant". In een laatste hoofdstuk kan hij dan zijn eigen gezichtspunt toevoegen. Als de bekende dwerg op de schouders van een reus ziet hij dan misschien net iets verder dan zijn voorganger.



stap 2

In een PWS wordt een object bestudeerd met gebruikmaking van bepaalde instrumenten. Zeer vaak is dat object een boek en zijn de instrumenten andere boeken. Dat is het geval als een PWS gaat over, laten we zeggen, De economische denkbeelden van Adam Smith: het object is dan het werk van Adam Smith, de instrumenten zijn de boeken over Adam Smith. We noemen in dat geval de teksten van Adam Smith primaire bronnen en de boeken over Adam Smith secundaire bronnen of kritiek

In sommige gevallen is het object echter een actueel verschijnsel, bij voorbeeld een scriptie over de migrantenbeweging in het Italië van nu, de publieke opinie over een bepaald televisieprogramma of het gedrag van een groep gehandicapte kinderen. In die gevallen bestaan er nog geen geschreven bronnen, maar moeten die nog gemaakt worden: dat zullen dan statistische gegevens zijn, uitgewerkte interviews, en soms zelfs foto- of videomateriaal.  De kritieken zijn misschien geen boeken en artikelen uit tijdschriften, maar krantenartikelen en verschillende soorten documenten. 

Je moet je terdege rekenschap geven van het verschil tussen bronnen en kritiek. Als je tijdens je onderzoek merkt dat je afdwaalt van de bron (De economische denkbeelden van Adam Smith) en je eigenlijk bezighoudt met de interpretatie of de invloed van de bron (De interpretaties van het werk van Adam Smith binnen het hedendaagse Engelse liberale denken) , kun je twee dingen doen: òf je keert terug naar de bron, òf je past je onderwerp aan.  

Bij de keuze van het onderwerp voor je PWS is het van groot belang de vindbaarheid van je bronnen en kritieken voor ogen te houden. Je moet weten 1. waar ze te vinden zijn; 2. of ze makkelijk toegankelijk zijn, en 3. of je ze kunt hanteren. Je moet de bronnen in hun originele versie bestuderen en van de kritiek moet je de belangrijkste lezen. Als je werk over boeken gaat, is een primaire bron een originele of een kritische uitgave van het boek in kwestie.  Een vertaling is geen bron: het is een prothese, zoals een kunstgebit of een bril, een middel dat iets wat zich buiten je bereik bevindt bij benadering weergeeft. Een bloemlezing is geen bron. Samenvattingen van andere schrijvers zijn geen bron: het zijn hooguit bronnen uit de tweede hand.  Bronnen en citaten moeten, voor zover het onderzoek dat toelaat, altijd uit de eerste hand zijn. 


Voor het samenstellen van een bibliografie kun je drie dingen doen:
1. Gebruik de systematische catalogus (op onderwerp) van de plaatselijke bibliotheek. Hierin vind je alles wat zich in het gebouw bevindt over, laten we zeggen, de val van het Westromeinse rijk. Het spreekt voor zich dat er geen ingang "val van het Westromeinse rijk" onder de V zal zijn. Je zult moeten zoeken onder "Westromeinse rijk", en daarna onder "Rome" en vervolgens onder "geschiedenis (Romeinse - )". 
2. Zie encyclopedieën en schoolboeken in.
3. Vraag de bibliothecaris of, heel voor de hand liggend, je PWS-begeleider om hulp.
4. computer (uitwerken)


Noteer de titels van de boeken, tijdschriften, artikelen die je vindt in een schrift. Noteer ook de vindplaats.

Noteer titels van boeken als volgt: (Let op: er zijn variaties mogelijk. Voor het PWS: zie Stijlboek).
achternaam auteur, hele eerste voornaam + eerste letter andere voornamen, titel + punt + ondertitel + punt (nu geen komma), plaats van uitgave in originele taal, uitgever, jaar van eerste uitgave (nummer van gebruikte editie, jaartal), aantal p. 
voorbeeld: Searle, John R., Speech Acts. An Essay in the Philosophy of Language. First ed., Cambridge, Cambridge University Press, 1969 (5th ed., 1974), 204 p.
- titel: eerste woord altijd hoofdletter; verder alle woorden hoofdletter, behalve lidwoorden en voorzetsels. Na (onder) titel altijd een punt. Titel onderstrepen.
- plaats: plaats van uitgave, niet waar 't gedrukt is; te vinden op pagina die volgt op titelpagina, waarop copyright vermeld staat; plaatsnaam in originele taal vermelden
- jaar van uitgave: niet op titelblad (is laatste druk), maar op copyrightpagina.

Noteer titels van tijdschriften als volgt:
achternaam auteur, hele eerste voornaam + eerste letter andere voornamen + punt,  "titel artikel". Naam tijdschrift, jaargang (jaartal) nummer, pagina's. 
voorbeeld: Dooren, Frans van, "De Nederlandse vertalingen van Dante's Divina Commedia". De Revisor, jrg.5 (1978) 2, p.34-38.





stap 3
De oorspronkelijke titel is niet de uiteindelijke titel. Meestal krijgt hij later nog een ondertitel, die het thema goed inperkt. Hij houdt ook een soort vraag in. Je kiest voorbeeld aanvankelijk als titel: De aanslag op Togliatti en de radio. Daar komt later de ondertitel bij: Inhoudelijke analyse die erop gericht is de laten zien hoe de overwinning van Gino Bartali in de Tour de France gebruikt is om de aandacht van de publieke opinie af te leiden van een onvoorziene politieke gebeurtenis.

stap 4
Meteen na het formuleren van de vraag of het zo is dat ... zie je dat je je werk moet indelen in fasen om deze vraag te kunnen beantwoorden. Deze fasen komen overeen met de hoofdstukken van de inhoudsopgave. Naarmate het werk vordert zal hij er nog een paar keer anders uit gaan zien, zou je kunnen tegenwerpen. Zeker. Je kunt echter alleen iets veranderen als je iets hebt om te veranderen. Het is nog beter als je probeert in de inhoudsopgave van ieder hoofdstuk een korte samenvatting te geven. Zo maak je ook voor jezelf duidelijk wat je wilt gaan doen, je kunt je scriptiebegeleider een begrijpelijk project voorleggen en je merkt of je ideeën al duidelijk omlijnd zijn. Op die manier wordt je inhoudsopgave je werkhypothese. Iedere subparagraaf heeft een nummer en een titel (die laatste kun je afkorten). Op je fiches noteer je die nummers en afkortingen ook, zodat je documentatiemateriaal correspondeert met de verschillende punten van de inhoudsopgave. In plaats van met afkortingen, kun je ook met kleuren werken. 

Vaak zul je spreken over iets dat al in een eerder hoofdstuk behandeld is. Dit heet een interne verwijzing. Je vermeldt dan tussen haakjes het nummer van dat hoofdstuk, die paragraaf of subparagraaf. Zo hoef je jezelf niet al te vaak te herhalen en laat je bovendien zien dat de scriptie een samenhangend geheel is. Een goed opgebouwde scriptie moet vol zitten met interne verwijzingen. Als die ontbreken betekent dat, dat ieder hoofdstuk een eigen leven leidt. Een goed opgebouwde inhoudsopgave / hypothese vormt het raamwerk hiervoor. 

Wanneer je een "ijzeren" inhoudsopgave hebt kun je het je permitteren met schrijven niet bij het begin te beginnen. Gewoonlijk begint men zelfs met schrijven van dat gedeelte waarover men zich het best gedocumenteerd en het zekerst voelt.

stap 5
Stel de inleiding op. Dit is een analytisch commentaar bij de inhoudsopgave. "In dit werk probeer ik antwoord te geven op de vraag of...In het eerste hoofdstuk zal ik proberen om...In het tweede hoofdstuk...Ter afsluiting zal ik proberen dit en dat aan te tonen. Ik wil erop wijzen dat ik me bepaalde precieze grenzen heb gesteld, te weten die en die. Binnen de grenzen zal ik de volgende methode volgen..." Ook de inleiding zul je later nog wel eens herschrijven, maar hij geeft je houvast. 

In de inleiding dient ook te worden vastgesteld wat de hoofdzaak en wat de bijzaken van de scriptie zijn. Er zal van je verwacht worden dat je wat je als hoofdzaak gedefinieerd hebt veel vollediger behandelt dan wat je als bijzaak hebt genoemd. Om te kunnen bepalen wat de hoofdzaak of kern van je scriptie zal zijn, zul je iets moeten weten over het materiaal dat je tot je beschikking hebt .

stap 6
Naarmate je bibliografie zich uitbreidt moet je beginnen met lezen. Je hebt voor je liggen:
* bronnen: al lezend onderstreep je in de tekst en schrijf je codes in de kantlijn die corresponderen met de hoofdstukken van je werkschema. Schrijf in de kantlijn ook in één woord waarover het gaat. Als je niet in boeken kunt of wilt strepen, maak je leesfiches. Op je leesfiche van ieder boek (kaart van ruim formaat) vermeld je: bibliografische gegevens (titel, schrijver, vindplaats; korte samenvatting, je oordeel, citaten; de codes die corresponderen met de hoofdstukken van je werkschema / inhoudsopgave
* werkschema / voorlopige inhoudsopgave: noteer in de inhoudsopgave bij de hoofdstukken een code of afkorting die correspondeert met een bepaald boek en met het nummer van de pagina. 
Zo weet je op het moment dat je gaat schrijven waar je een bepaald idee of een bepaald citaat moet zoeken. 





NIET AF
4.2.2 het "ficheren" van primaire bronnen