GOUDEN REGELS



15 gouden regels bij het schrijven van een tekst:


ONDERBOUW

1. woordvolgorde: onderwerp + alle werkwoorden + rest  
* bijwoord en ook korte bijwoorden van tijd (toujours, déjà) direct achter werkwoord waar het bij hoort, maar bij pc na het hulpwerkwoord.
Vertaal nooit Nederlandse zinnen. Die hebben een heel andere structuur.
Houd je zinnen kort en eenvoudig. Om je tekst naar bovenbouw-niveau te tillen gebruik je regel 8 t/m 15.
* Een zin die begint met parce que is een bijzin en zit aan een hoofdzin vast.

2.  Voor ieder zelfst.n.w. moet een lidwoord komen in het Frans:
     * de / het: le, la, l', les ; geen lidw in Ndl: du, de l', de la, des
     * MAAR na algemene bewering > toch le / la / les   
     * MAAR na aimer etc > le / la / les (zelfs bij ontkenning) 
     * MAAR na een  hoeveelheid of een ontkenning (behalve bij être)
        veranderen un / une /  du / de la / de l'/ des in  de(le, la, les dus niet) 
        MAAR: plusieurs livres = meerdere boeken / sans livres = zonder boeken        
     * Je krijgt ook alleen de na: avoir peur de / avoir envie de / avoir besoin de
     * de + le = du / de + les = des / de + des = de (des vervalt dan)  
     * à + le = au / à + les = aux

3. bijvoeglijk naamwoord Let op: m, v, ev, mv + plaats
    cher papa et chère maman; une plus haute tour; la meilleure chanson
    bijwoord: bijv.n.w. + -ment of aparte vorm: bien / mieux / longtemps / mal

4. voorzetsels / tijdsbepalingen 
   * naar / in + plaats: en France / au Portugal / aux Pays-Bas / à Paris
   * naar + persoon: chez Pierre (naar/bij P thuis), vers Pierre (naar / in de richting van P)
   * met de : en vélo, en train, en avion, etc, maar: à pied
   * in het weekend = le weekend / 's nachts = la nuit / 's avonds = le soir; 
     maar: à 4 heures du matin = om 4 uur in de ochtend
   * in mijn vrije tijd = pendant mon temps libre / in mijn vakantie = pendant mes vacances
   * ik ben op vakantie = je suis en vacances / ik ga op vakantie = je pars en vacances
   * toujours = altijd / tous les jours = alle dagen, iedere dag

5. mijn: mon, ma, mes / ton, ta, tes / son, sa, ses / notre, nos / votre, vos / leur, leurs

6. ontkenningen
ne...pas = niet / ne...jamais = nooit / ne...pas du tout = helemaal niet / ne...pas encore = nog niet / ne...plus = niet meer / ne...que = slechts, alleen maar /ne...rien = niets; Rien ne...(aan begin van een zin) / ne...personne = niemand; Personne ne...(aan begin van een zin)

7. het / dat  (onderwerp, lijdvw, aanw vnw, voegw)
    ce + être  C'est lundi. (dagen, maanden)
    ça / cela + andere werkwoorden
    los gebruikt: ceci (dit), cela / ça (dat) Ne fais pas cela. 
    il fait + weer  Il fait chaud.
    Il est + tijd Il est huit heures.
    ce, cet, cette, ces + zelfst nw
    ik denk dat = je pense que 
    ik hoop dat = j'espère que + futur


BOVENBOUW

8. die / dat / wat   (betrekkelijk vnw) 
    * de persoon die naast mij woont = la personne qui habite à côté (onderwerp van het ww erna)
    de persoon die ik zie = la personne que je vois (geen ondw van het ww erna)
    * het boek dat op tafel ligt = le livre qui est sur la table (onderwerp van het ww erna)
    het boek dat ik gelezen heb = le livre que j'ai lu (geen ondw van het ww erna)
    qui en que verwijzen terug naar een zelfst.n.w. 
    anders neem je ce qui of ce que
    * om te begrijpen wat (dat wat) erna komt = pour comprendre ce qui suit (= onderwerp van het ww erna)
    ik kan doen wat (dat wat) ik wil = je peux faire ce que je veux (= geen ondw van het ww erna)  

9. ieder / alle     (tout, toute, tous, toutes ) 
      tout le livre = het hele boek / tous les livres = alle boeken /
      toute la ville = de hele stad  / toutes les villes = alle steden
      iedereen = tout le monde (de hele groep) / chacun (ieder individu)
      de hele wereld = le monde entier
      tout = alles  / tous(m), toutes (v) = allen
      andere dingen = d'autres choses / iets anders = autre chose
      iets moois = quelque chose d'intéressant

10.  van een werkwoord kun je in het Frans geen zelfst.n.w. maken
       het lezen = NIET: le lire......    Er zijn twee oplossingen:
        a. het lezen > la lecture (er is een woord voor; zie woordenboek)
        b. Lire des livres romantiques me détend. (infinitif gebruiken of omschrijven)

11.  om = à / de / (niets)
       Ik vind het leuk om bladzijden over te slaan = j'adore sauter des pages >
       kijk in een goed woordenboek bij adorer > om wordt hier niet vertaald

12. persoonlijk voornaamwoord

* lijdend voorwerp: le, la, les   (me, te, nous, vous) 
* meewerkend voorwerp (à + persoon): lui, leur (me, te, nous, vous) 
* de + zaak > en
* ander voorzetsel + zaak > y 
plaats: 1. voor infinitif 2. voor pers.vorm

* ander voorzetsel + persoon (en ook: "penser à") : 
 voorzetsel + moi, toi, lui, elle, nous, vous, eux, elles 
 ikzelf = moi-même, toi-même, …nous-mêmes, ..

13. werkwoorden vervoegen

* OB kies voor de tegenwoordige of de verleden tijd, maar gebruik ze niet door elkaar.
* OB passé composé: opeenvolgende handelingen
* OB imparfait: gewoonte, beschrijving, was aan het...
* BB futur (du passé), subjonctif
* BB na si geen futur(du passé) in rest van de zin juist wel.
* werkwoord opzoeken in Van Dale woordenboek: achter het werkwoord staat een cijfer,  daarmee kun je achterin de vervoeging opzoeken.

14. vocabulaire / spelling
* Gebruik geen woorden die je zelf nog nooit gehoord of gezien hebt. 
* aussi altijd aan het eind van een zin(sdeel)
* zeer, erg = très; te (veel) = trop
* hij kan = hij heeft de tijd > il peut ; =  hij is in staat om > il sait
* ik doe graag... = j'aime faire...
* er is / zijn/ er staat / er ligt + zelfst.n.w. = il y a; in de kamer is een tafel = il y a une table
* daar = là-bas
* waar? = où
* of = ou / si > rood of zwart = rouge ou noir / ik weet niet of = je ne sais pas si... 
* voir = zien / regarder = kijken (naar) / entendre = horen / écouter = luisteren (naar)
* lopen = aller / venir / sortir / entrer / s'approcher; marcher = stevig de pas erin hebben
* hij zit = il est assis / hij gaat zitten = il s'asseoit
* BB je mening geven: gebruik BB-vocabulaire > Klik hier.
* BB argumenteren: gebruik signaalwoorden > Klik hier.
* BB opbouw essai argumentatif voor klas 6 > Klik hier

15. Let op hoofdletters, punten, spelling. Maak een alinea door naar een regel over te slaan; spring niet naar een nieuwe regel binnen een alinea.